WERK AAN DE WERELD

WOON-WERKVERKEER

Met de auto in de file staan of in een overvolle bus. Of gewoon op de fiets naar je werk. In Nederland is de keuze afhankelijk van de afstand, maar in veel andere landen zijn werknemers aangewezen op oncomfortabel openbaar vervoer.

Tekst Astrid van Unen Beeld Efe/Luis Angel Gonzales Taipe (Peru), Remco Koers (Wit-Rusland), Epa/Aaron Ufumeli (Zimbabwe), Mila van der Ende (Nederland)


NEDERLAND

‘JE HOOFD LEEG FIETSEN’

Ministers en premiers, milieufanaten, mensen met een kleine portemonnee, en vooral veel liefhebbers: ze pakken de fiets naar hun werk. Nederland telt bijna 23 miljoen rijwielen, schrijft De Fietser op zijn website. Tijdens de spits zijn er zelfs meer fietsers dan auto’s op de weg. Vooral Zuid-Hollanders blijken echte fietsers met meer dan 2,5 miljard fietskilometers per jaar.

Opleidingsmanager van Hogeschool Utrecht Sjoerd Hania is er één van. Hij reist vanuit Rotterdam zowel met de auto als de trein en de fiets, afhankelijk van de plaats van bestemming. De huidige pandemie dwingt hem, net als een groot deel van Nederland, tot thuiswerken. ‘Maar voor de strenge coronamatregelern fietste ik graag elke week een keer naar Hogeschool InHolland, waar we een bijkantoor hebben.’

Hania is wel een autoliefhebber, zegt hij. ‘Een paar keer per week naar Utrecht met de auto vind ik geen straf, met Radio 1 op de achtergrond. Alleen als het heel druk op de weg is en er veel files zijn vind ik het onprettig. Mijn voorkeur heeft de fiets; ik zou graag een baan dichter bij huis willen. Het bijkantoor van mijn hogeschool ligt maar vier kilometer van mijn huis. Het is een mooie route langs Heemraadsingel, Museumpark en over de Erasmusbrug. Fietsen in de ochtend is lekker fris en je bent meteen actief. Op de terugweg kun je je hoofd leeg fietsen. Het is goed voor je gezondheid, want je bent in beweging. Als het echt plenst neem ik de tram. Maar met de regen valt het wel mee, je kunt meestal prima tussen de buien door fietsen.’


ZIMBABWE

TWEE À DRIE UUR WACHTEN OP TRANSPORT’

De coronacrisis hakt er flink in bij de Zimbabwaanse bevolking, die sinds 2008 al kampt met economische malaise. ‘Voor de pandemie was het woon-werkverkeer in Harare al niet ideaal maar toen hadden we op z’n minst nog private spelers zoals minibusjes en open vrachtwagens’, vertelt voorzitter Peter Gift Mutasa van vakbondsfederatie ZCTU. ‘Sinds de coronamaatregelen zijn ingevoerd is er nog maar één vervoerder, die in grote oude bussen rijdt maar te weinig capaciteit heeft. Dus mensen wachten twee à drie uur op transport om naar hun werk te kunnen.’

Vervoer met de grote bussen is weliswaar goedkoper en comfortabeler dan de open, vaak volgepropte trucks, maar mensen gaan liever met privévervoerders mee. ‘Die vertrekken tenminste op tijd, je hoeft er niet lang op te wachten en ze rijden niet zoveel om. Je kunt nu eigenlijk geen afspraak plannen, want je weet niet wanneer je aankomt. Zo missen studenten bijvoorbeeld hun examens.’

Bijkomende ellende is de zware inflatie die door invoering van een nieuwe munteenheid is verergerd. ‘Dokters verdienden vroeger omgerekend ruim 2000 dollar per maand. Nu is dit rond de 70 dollar. Zij kunnen zelfs geen openbaar vervoer meer betalen want dat kost 2 dollar voor een retour. Met 25 werkdagen is dat al 50 dollar per maand. Daarom zijn ze in staking gegaan.’ Ook huishoudelijk medewerkers die intern wonen, lopen tegen dit probleem aan. ‘Met als gevolg dat zij met hun maandloon van 8 dollar in de weekenden niet naar hun familie kunnen gaan. Zelfs voor een bezoek aan een zieke ouder of een begrafenis is amper geld.’

In Zimbabwe staken is niet zonder risico. ‘Druk van de bonden heeft wel succes’, zegt Mutasa. ‘Leraren hebben meer loon gekregen en ook het minimumloon is verhoogd. Maar tijdens acties worden we gearresteerd en geslagen. Mensen worden uit hun huis ontvoerd en gemarteld. We slapen met de ogen open.’


WIT-RUSLAND

‘EEN RITJE VAN EEN UUR EN TWINTIG MINUTEN’

De private onderneming Grodno Tobacco Factory (GTF) in het uiterste noordwesten van Wit-Rusland zet nu in coronatijd speciale bussen in voor zijn werknemers om ze naar werk en huis te brengen. Ingenieur Aliaksei Lipin werkt er om de machines te onderhouden. ‘Het is comfortabel reizen; we hebben een goed bussysteem. Ook het gemeentelijk openbaar vervoer is goed geregeld.’

Als lid van de onafhankelijke vakbond BITU was hij vorig jaar betrokken bij de protesten tegen de verkiezingsfraude waarmee president Loekasjenko in augustus opnieuw aan de macht kwam. Samen met collega’s stelde hij een stakingslijst met eisen op, waaronder ontslag van Loekasjenko, onmiddellijke stopzetting van politiegeweld en vrijlating van politieke gevangenen. Hoewel het management van GTF hierin een aanmoedigende rol speelde, kwam hem dit duur te staan.

‘Ik werd beschouwd als organisator van een staking die niet heeft plaatsgevonden’, vertelt Lipin. ‘Toen we een bijeenkomst hielden om voor de staking te stemmen, bleek het merendeel van de werknemers door de gemeente te zijn bewerkt. Slechts 5 procent wilde nog staken. Waarop het management zei de initiatiefnemers te straffen, in opdracht van de overheid.’

Normaal heeft Lipin twintig minuten met de bus nodig om op zijn werk te komen. Maar nu kreeg hij te maken met een strafexpeditie: hij werd in een vestiging 150 kilometer verderop gestationeerd. ‘Ik moest stenen rapen op een plantage, maar werd uiteindelijk toch ingezet in de machinekamer. Elke dag heen en weer naar Grodno ging niet want een enkele rit was al een uur en twintig minuten, dus bleef ik op de boerderij tot het weekend.’ De straf duurde een maand, waarna hij weer in Grodno te werken kwam. De tweede straf ontliep hij doordat hij corona kreeg. ‘Maar ik verwacht nog een derde strafexpeditie. Dan ben ik misschien nog meer reistijd kwijt.’


PERU

‘IK TREK REGELMATIG DE CHAUFFEUR AAN Z’N MOUW’

Het coronaprotocol voor reizigers, een set aan gedragsregels, is in Peru niet afdoende. Huishoudelijk medewerker Carmen Almeida reist drie keer per week door de hoofdstad Lima om bij twee verschillende werkgevers te poetsen. Voor het ene huis heeft ze zo’n uur nodig, voor het andere ongeveer twee uur. Dan neemt ze de trein, de metro en de minibus.

‘Officieel moeten we een mondmasker en doorzichtige gezichtskap dragen en er mag maar een beperkt aantal reizigers mee om de anderhalve meter afstand te kunnen garanderen. Maar dit wordt alleen gehandhaafd in de bus en de trein, die van de gemeente zijn. De minibussen zijn van private ondernemers en die proppen ze helemaal vol. Ze eisen ook geen gezichtskap. Terwijl het aantal coronaslachtoffers weer toeneemt.’

Almeida beklaagt zich dan ook regelmatig bij de chauffeur van de minibus. ‘Ik trek hem regelmatig aan zijn mouw, als er weer te veel mensen in het busje zitten en staan. Ik heb de zorg voor mijn 85-jarige moeder, dus het is heel belangrijk dat ik niet besmet raak.’ Van maandag tot vrijdag is de verkeersdrukte groot in de straten van Lima. ‘Dan zijn alle werknemers op pad. En dit aantal neemt toe, omdat veel mensen hun baan zijn kwijtgeraakt. Zij belanden in de informele economie, bijvoorbeeld door producten op straat te verkopen. De overheid promoot het thuiswerken, maar dat is voor velen niet mogelijk.’

Haar reiskosten betaalt ze zelf. ‘Ik verdien 20 dollar per dag en een enkele reis kost maximaal anderhalve dollar. Dat is te doen. Ik heb wel collega’s voor wie de werkgever hun taxi betaalt. Die werkgevers willen niet dat zij risico lopen op besmetting en dan is de taxi het meest veilig. De overheid zou meer bussen moeten regelen en moeten zorgen voor naleving van de protocollen. Dat scheelt een hoop stress.’

image

Deel deze pagina