COLUMN

GEEN SCHIJN VAN KANS BIJ UWV EN CENTRALE RAAD VAN BEROEP

De Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft politiek Den Haag op de grondvesten doen trillen met het rapport 'Ongekend onrecht'. Het kabinet is demissionair gegaan en minister Wiebes is opgestapt. De politiek, de ambtenarij en de bestuursrechters kregen een stevige veeg uit de pan. Overigens heeft de Tweede Kamer ook zelf een rol gespeeld in de toeslagaffaire.

GRONDBEGINSELEN VAN DE RECHTSSTAAT GESCHONDEN

De commissie vindt dat grondbeginselen van de rechtsstaat zijn geschonden. Het verwijt wordt gericht aan de Belastingdienst, maar ook aan de wetgever én de rechtspraak. Een grondbeginsel van onze rechtsstaat is dat zoveel mogelijk rekening gehouden moet worden met de belangen van mensen.

De commissie geeft aan dat rechtmatigheid en efficiëntie leidend zijn geweest bij het opstellen en uitvoeren van financiële regelingen. Ook was de focus gericht op het voorkomen en tegengaan van fraude en misbruik.

Dat alles heeft geleid tot wet- en regelgeving en een uitvoering, die het niet of nauwelijks toeliet om recht te doen aan de individuele situatie van mensen, bijvoorbeeld als zij zonder kwade opzet een administratieve vergissing – foutje bedankt – begingen.

SPIJKERHARD

De wetgever - kabinet en parlement – wordt verweten dat zij spijkerharde wetgeving heeft vastgesteld die onvoldoende recht deed aan individuele situaties. Er is geen hardheidsclausule en de noodzakelijke beginselen van behoorlijk bestuur, met name het evenredigheidsbeginsel, kregen veel te weinig aandacht van de wetgever.

Het ministerie van Financiën heeft grove inbreuk gemaakt op het rechtsstatelijke principe dat optimaal recht gedaan moet worden aan individuele situaties. Te snel is elke vergissing als fraude gezien en zijn ouders ten onrechte gebrandmerkt als opzettelijke fraudeurs.

Ook het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft ver onder de maat gepresteerd. En last but not least heeft de bestuursrechtspraak jarenlang een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in stand houden van de niet dwingend uit de wet volgende, spijkerharde uitvoering van de regelgeving van de kinderopvangtoeslag. De rechtspraak als producent van onrechtvaardigheid en dat in Nederland.

RECHTSPRAAK BRACHT ONRECHT

De commissie concludeert dat de bestuursrechtspraak bij zijn belangrijke functie van (rechts)bescherming van individuele burgers heeft gefaald. Vooral het tot in oktober 2019 wegredeneren van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die juist zouden moeten dienen als stootkussen en beschermende deken voor mensen in nood stuit de commissie tegen de borst. Ouders hadden daardoor jarenlang geen schijn van kans. De (virtuele) rechterstoga ontmaskerd.

TRANSPARANTIE NON-EXISTENT

De commissie ziet dat transparantie, openheid en volledigheid in de praktijk niet de leidende principes zijn bij de beantwoording van Kamervragen, het opstellen van Kamerbrieven, het reageren op WOB-verzoeken en het samenstellen van dossiers voor rechtszaken. En ook DAT heeft de bestuursrechtspraak laten gebeuren. De Grondwet, de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Wet Openbaarheid van Bestuur en de Algemene Wet Bestuursrecht bevatten heldere bepalingen en bedoelingen. Desondanks was de informatievoorziening in meerdere gevallen ingegeven door gewenste juridische of politieke uitkomsten, resulterend in het slechts gedeeltelijk, vertraagd of helemaal niet verstrekken van informatie. Onder de pet en de overheid op zoek naar een welgevallige uitkomst.

Zo stonden ouders machteloos tegenover machtige instituten van de rechtsstaat, die hen niet de bescherming boden die zij verdienden en waar zij recht op hebben.

BMTI TERUGVORDERINGSPLICHT UWV

Het is allemaal te herkenbaar omdat ook in andere gevallen sprake is van ongekend onrecht waardoor tallozen geen schijn van kans hebben. Die andere gevallen hebben een oorsprong van veel langer geleden dan de kinderopvangtoeslag.

In 1996 werd de Wet Boeten Maatregelen Terugvordering en Invordering (BMTI) ingevoerd door de wetgever, inderdaad door regering en parlement. In sociale zekerheidswetten is per 1 augustus 1996 een uniform stelsel van sancties (maatregelen en boeten), terug- en invordering tot stand gebracht. Dat heeft o.a. geleid tot een verplichting om onverschuldigd betaalde bedragen altijd terug te vorderen. Er is weliswaar een hardheidsclausule maar die is ruim twintig jaar vrijwel een dode letter in de bestuursrechtspraak.

DRINGEND IS VRIJWEL NOOIT DRINGEND IN DE RECHTSPRAAK

Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering (de hardheidsclausule) zijn naar het oordeel van de bestuursrechtspraak aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Om eens een schrijnend voorbeeld te noemen: dat in het behandelplan van een belanghebbende stond dat bij een toename van zorgen rondom de financiële situatie (negatieve uitslag rechtszaak over terugvordering van uitkering) paniek/wanhoop kon toeslaan en dat daarbij ook gedachten aan suïcide konden ontstaan, vond de rechter onvoldoende. Het bedrag van bijna 60 mille deels of geheel afboeken vond de rechter kennelijk te veel van het goede. Wat is er dan nog nodig om wél een dringende reden te zien om af te zien van terugvordering?

WETGEVER BOTER OP HET HOOFD

Over de verplichting betaalde uitkering terug te vorderen en dat er vrijwel nooit een dringende reden is om van terugvordering af te zien, hoor je vrijwel nooit van de politiek behalve laatstelijk toen een moeder haar dochter, een bijstandsgerechtigde, elke week een tas met boodschappen gaf. Dat is dus incidentenpolitiek.

Dus politiek, luister goed. We moeten af van die verplichting terug te vorderen of we moeten de hardheidsclausule eindelijk eens serieus nemen omdat fouten van de gemeente of UWV nu altijd worden afgewenteld op de uitkeringsgerechtigde.

VROEGER WAS ALLES BETER

Vroeger hadden we andere regels. Als door toedoen van de betrokkene teveel uitkering was betaald, kon de uitvoering tot 5 jaar terug in de tijd terugvorderen. En als teveel was betaald zonder toedoen van de betrokkene maar hem/haar wel redelijkerwijs duidelijk was dat er teveel betaald was, dan kon er 2 jaar terug teruggevorderd worden. Dus geen plicht maar een bevoegdheid om terug te vorderen waarbij dus veel meer mogelijkheden waren om de algemene beginselen van behoorlijk bestuur concreet toe te passen waar die nu nooit worden toegepast. Hier komen dus de conclusies van de commissie in de toeslagaffaire om de hoek kijken en dus dienen de conclusies van de commissie breder worden getrokken naar alle wetten op het gebied van het sociale zekerheidsrecht in brede zin.

ZESMAANDENJURISPRUDENTIE

Ook was er nog de zesmaandenjurisprudentie. Die houdt in dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen in de tijd wordt beperkt indien het bestuursorgaan geen, onvoldoende of niet tijdig actie heeft ondernomen op een verkregen, voldoende concreet signaal dat (mogelijk) te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt en het bedrag van de ten onrechte betaalde uitkering onnodig is opgelopen. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan dan geen gebruik meer worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Kom daar nu eens om want de Centrale Raad van Beroep vindt dat in het geval een bestuursorgaan verplicht is om terug te vorderen de zes-maanden-jurisprudentie niet van toepassing is. Als er teveel uitkering betaald is, en het bestuursorgaan heeft zitten slapen en soms pas na jaren een terugvordering toepast, dan gaat het bestuursorgaan geheel vrijuit en de belanghebbende heeft het nakijken met een terugbetalingsplicht of er nu algemene beginselen van behoorlijk bestuur bestaan of niet.

WETGEVER, STOP MET VERPLICHTE TERUGVORDERING

Wat er moet gebeuren. is dat we afstappen van de terugvorderingsplicht in de sociale zekerheid en elk geval op zijn merites gaan beoordelen. Zo kan indachtig de conclusies van de commissie eindelijk eens aandacht worden gegeven aan de beschermende werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die juist zijn bedoeld om de burger een kans te geven. En zo kan ook het slapende bestuursorgaan worden gestraft voor niet of niet op tijd reageren op signalen.

RECHTER, GEEF DE BURGER EEN EERLIJKE KANS

De burger heeft daar recht op zoals de burger ook recht heeft op een eerlijke kans bij de rechter. De burger heeft bij de bestuursrechter recht op ongelijkheidscompensatie aangezien de burger altijd de onderliggende partij is ten opzichte van de overheid. Hoog tijd dus dat de wetgever – regering en parlement – gaat handelen en verder gaat kijken dan alleen de kinderopvangtoeslagaffaire. Fouten uit het verleden in wetgeving moeten worden hersteld en de rechtspraak dient heropgevoed te worden. Als de wetgevende en de uitvoerende macht falen dan mag de rechtspraak niet falen. Anders zijn we allemaal de klos! Actie! Tom van Laar

Deel deze pagina